IV De concrete aanbevelingen van de Vrijdaggroep om de muren binnen onze scholen te slopen

Het fundamenteel herzien van de taalidentiteit van het onderwijs in Brussel naar het voorbeeld van het Catalaanse systeem is een project van lange adem, waarvoor verschillende taboes uit het verleden doorbroken moeten worden. De Vrijdaggroep adviseert daarom een stapsgewijze aanpak om de taboes weg te nemen en de taalmuren binnen de Brusselse scholen, steen per steen, af te breken.

Niveau 1

OPENINGEN IN DE MUREN MAKEN

Dit eerste niveau heeft tot doel om de contacten tussen beide kanten van de muren te bevorderen en bepaalde praktijken gemeenschappelijk te maken. Deze aanbevelingen zijn geïnspireerd op initiatieven die al in bepaalde scholen worden toegepast. Het maken van deze openingen in de muren zou zeer concreet de volgende vormen kunnen aannemen:

Aanbeveling I.1 • Een gemeenschappelijk beheer van het toezicht en lokalen bevorderen: Vooral om praktische redenen (boekhouding en administratie) hebben sommige scholen fysieke scheidingen tussen de leerlingen ingevoerd. In sommige scholen zijn bijvoorbeeld de toiletten voor de leerlingen gescheiden om het beheer van het schoonmaak- en onderhoudsbudget niet ingewikkeld te maken. In andere scholen kunnen gemeenschappelijk toezicht op de schoolpleinen of gemeenschappelijke lessen om administratieve redenen niet georganiseerd worden.

Aanbeveling I.2 • De organisatie van gezamenlijke buitenschoolse evenementen mogelijk maken: Te weinig scholen nemen tegenwoordig de moeite om gezamenlijke evenementen voor het Frans- en het Nederlandstalige deel op één en dezelfde locatie te organiseren. Dat is echter niet altijd zo geweest. Hoewel sommige scholen die buren van elkaar zijn, onlangs nog gezamenlijke schoolfeesten of ontmoetingen tussen de leerlingen hebben georganiseerd, komt dit helaas maar sporadisch voor. Om het samenleven in ere te herstellen en de tijd te nemen voor een ontmoeting met de buren, moeten we de administratieve obstakels hiervoor in kaart brengen en ze vervolgens wegnemen (subsidiebeleid, etc.).

Aanbeveling I.3 • De uitwisseling van taalleerkrachten aanmoedigen en belonen: De gelijktijdige aanwezigheid van leerkrachten die Frans en Nederlands spreken, is een rijkdom voor de scholieren in de hoofdstad van Europa. De scholen werken helaas niet samen, hoewel hun leerlingen van onderricht in de tweede landstaal door ‘native speakers’ zouden konden profiteren als het wettelijke en administratieve kader zou veranderen. Met andere woorden, door deze maatregel zouden de leerlingen in het Franstalige onderwijs Nederlands van Nederlandstalige leraren kunnen krijgen, terwijl de leerlingen in het Nederlandstalige onderwijs hun Franse lessen bij een Franstalige leraar zouden kunnen volgen. De scholen die met deze uitwisselingen van start gaan, zouden speciale steun van beide gemeenschappen moeten krijgen.

Aanbeveling I.4 • De premie voor de Nederlandstalige leerkrachten omvormen tot een subsidie voor wonen in Brussel: De Vlaamse regering kent nu een financieel voordeel toe aan Vlaamse leerkrachten die lesgeven in Vlaamse scholen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hoewel dit systeem aan zijn doelen beantwoordt, met name het waarborgen van het niveau van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel, denken wij dat het wenselijk zou zijn om dit geld aan te wenden voor vestigingssubsidies ten behoeve van Vlaamse leerkrachten die in Brussel komen wonen. Een vestigingssubsidie in plaats van een “Brussel premie” maakt het namelijk mogelijk om bij deze leerkrachten een sterker Brussels gevoel te ontwikkelen, dat wil zeggen een betere kennis van de werkelijkheid van de hoofdstad. Dit zou ook de contacten met de leraren van andere scholen moeten bevorderen en op die manier de samenwerking moeten stimuleren.

Aanbeveling I.5 • Specifieke gegevens over het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in internationale onderzoeken naar schoolprestaties verkrijgen: De grote internationale onderzoeken (bv. het PISA-onderzoek van de OESO) leveren geen specifieke indicatoren voor Brussel op. De gegevens worden gepubliceerd op het niveau dat het onderwijs organiseert, dat wil zeggen de gemeenschappen. De toegankelijkheid van deze gegevens voor Brussel zou een beter begrip van de uitdagingen van het gewestelijke onderwijsstelsel mogelijk maken.

Niveau 2

DE MUREN OVERBRUGGEN

Het tweede niveau heeft ten doel om het veelzijdige gebruik van talen in de Brusselse scholen te versterken en zo de bouw van bruggen mogelijk te maken boven de kloof die de Frans- en Nederlandstalige leerlingen van elkaar scheidt. Dit kan enerzijds door het gebruik en het leren van de taal van de andere gemeenschap te bevorderen en anderzijds door een derde taal in het onderwijs in te voeren, als erkenning dat het Brusselse taallandschap in 2015 ver uitstijgt boven de traditionele scheiding tussen Frans- en Nederlandstaligen:

Aanbeveling II.1 • De moedertaal (of een derde onderwijstaal) invoeren voor bepaalde lessen: De Brusselse taalrealiteit van 2015 stijgt ver uit boven het debat tussen het Nederlands en het Frans. Een groeiend percentage leerlingen (dat al bijna 30% bedraagt) heeft noch het Frans, noch het Nederlands als moedertaal. De invoering van een derde onderwijstaal, zoals het Engels of het Arabisch, voor bepaalde vakken zou de polarisatie tussen het Frans en het Nederlands in de scholen kunnen temperen. Bovendien zou dat de mogelijkheid bieden om de multiculturele identiteit van de jonge Brusselaars van de 21e eeuw beter te weerspiegelen en de schoolachterstand in bepaalde vakken (bv. wiskunde of natuurwetenschappen), die niet het gevolg is van een specifieke zwakte van de leerling maar van een gebrekkige beheersing van de onderwijstaal, te beperken.

Aanbeveling II.2 • Een opleiding aanbiedingen waardoor tweetalige leerkrachten in beide gemeenschappen kunnen werken: Een gewest dat tweetalig wil zijn, zoals het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zou in staat moeten zijn om tweetalige aspirant-leerkrachten een opleiding aan te bieden en een aggregatie te verlenen waarmee ze zonder onderscheid in beide taalgemeenschappen les kunnen geven en vast benoemd kunnen worden. Op dit moment bestaat een dergelijke opleiding niet en moeten zelfs onze tweetalige leerkrachten zich beperken tot een van beide taalgemeenschappen.